Wat is ze dan wél? Wat de Lutherroos wel is,
zegt Luther zelf 'Das Sinnbild meiner Theologie' en elders: 'das
Merkzeichen meiner Theologie'. Een theologisch embleem. Hij heeft het
in 1516 zelf bedacht en het merkwaardige is dat hij daarbij niet alleen
elementen aan zijn familiewapen ontleende de witte roos en, behalve
wit, de kleuren rood en goud maar ook van het wapen der Augustijner
orde het rode hart gebruikte. Het resultaat was: in een gouden ring op
een hemelsblauw veld een witte roos, in het midden waarvan een rood
hart staat, dat een zwart kruis draagt.
Ter verklaring diende een rijm, mogelijk van Luther
zelf: Des Christen Herz auf Rosen geht wenns mitten unterm Kreuze
steht.
Uitvoeriger is de verklaring die Luther van zijn embleem
geeft nadat hij tijdens zijn verblijf op de Coburg van keurprins Johan
Frederik een gouden zegelring met de Lutherroos ten geschenke had
gekregen en op 8 juli 1530 aan Lazarus Spengler, de stadssecretaris van
Neurenberg waar het cachet gegraveerd werd, schrijft:
'Nu je wilt weten of mijn lakzegel goed is uitgevallen,
zal ik je meteen vertellen welke denkbeelden ik in dit cachet wilde
samenvatten als een merkteken van mijn theologie. Ten eerste moet het
een kruis zijn, een zwart kruis in een hart met zijn natuurlijke kleur,
omdat ik mijzelf er steeds aan wil herinneren dat het geloof in de
Gekruisigde ons zalig maakt. Want de rechtvaardige zal uit zijn geloof
leven, uit zijn geloof in de Gekruisigde. Maar al is het dan een zwart
kruis, dat wondt, dat pijn doet; het laat het hart zijn kleur behouden:
het bederft de natuur niet: het doodt niet, maar houdt in leven. Zo'n
hart moet echter midden in een witte roos staan om aan te duiden dat
het geloof vreugde, troost en vrede schenkt: kortom in een witte,
vrolijke roos ziet, niet zoals de wereld vrede en vreugde geeft. Daarom
moet die roos wit zijn en niet rood, want wit is de kleur der geesten
en van alle engelen. En deze roos staat in een hemelsblauw veld omdat
die vreugde in de geest en in het geloof het begin vormt van de komende
hemelse vreugde. En daaromheen dan een gouden ring, die zegt dat deze
zaligheid in de hemel eeuwig duurt en geen einde heeft, en zoveel
kostelijker is dan alle aardse vreugde en goed, als goud edeler en
kostbaarder is dan alle andere metalen'.
Typisch Luther: kort daarna, in september 1530, schrijft
hij aan Melanchton over dezelfde ring: 'De vorst heeft mij een gouden
ring geschonken, maar opdat ik goed weten zou dat ik niet geboren ben
om goud te dragen, ben ik hem al gauw verloren, want hij is iets te
ruim en te groot voor mijn duim'.
Luther zegelt zijn brieven met dit lakstempel, maar
geeft het ook aan zijn boeken mee als een waarmerk dat ze echt van hem
zijn en niet van mensen die onder zijn naam als dekmantel een valse
leer rondbazuinen. Nadat Luther van keurvorst Johan de Standvastige in
1532 het Zwarte Klooster als woonoord in eigendom gekregen had, liet
zijn vrouw Katharina von Bora er in 1540 als geschenk aan haar man een
ingangsportaal van Pilnaer zandsteen aan bouwen. Dit heeft links en
rechts een nis om in te zitten en bovenin de linkse nis draagt een
soort baldakijn in steen gehouwen een Lutherroos waaromheen het woord
VIVIT staat: Hij leeft (namelijk Christus).
Ook in andere uitvoeringen van het embleem komen we dit
woord tegen: het ziet er naar uit dat Luther het als een soort
lijfspreuk heeft beschouwd. Johannes Manlius vertelt ervan: 'Hij -
Christus namelijk - leeft. Luther bedoelt: als Hij niet zou leven, zou
ik geen uur langer willen leven. Maar deze letters bevatten ook nog een
geheim, dat Luther nimmer heeft prijsgegeven'. Voor zover ik kon nagaan
heeft nog niemand dit geheim ontraadselt, al mag misschien aan een
acrostichon gedacht worden. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat
Melanchton deze lijfspreuk in gedachten had, toen hij aan de binnenkant
van een hem toebehorend boek na Luthers dood een randschrift maakte bij
een treffende pentekening die daar in 1545 van Luther gemaakt werd door
zijn famulus Johan Willem Reifenstein, tijdens een van de laatste
colleges die Luther gaf. Het is ook de laatste afbeelding van Luther
bij zijn leven: vol vastbeslotenheid na veel strijd, met een vleug
humor en van een grote goedheid. Melanchton besluit zijn randschrift
bij de tekening met deze drie betekenisvolle woorden: 'Et mortuus
vivit' (En al is hij gestorven, hij leeft).